VANDAAG zondag, 20. mei 2012
Foucault en dossiers
woensdag, 11 november 2009 14:22

In hoeverre passen elektronische persoonsdossiers in de controlemaatschappij die Michel Foucault voorspelde?

 

Door Emily Miltenburg en Arjen de Wit

 

Elektronische persoonsdossiers zijn net als de Lilliputters in Gullivers reizen. Dat betoogt hoogleraar Sterrenkunde Vincent Icke eind 2008 in De Wereld Draait Door. In het satirische Gullivers reizen van Jonathan Swift spoelt de hoofdpersoon aan op een eiland met Lilliputters van 15 centimeter hoog, die hem vangen door allemaal een draad te spannen, en zo samen een groot net om Gulliver heen te bouwen. Zoals Gulliver door de wezentjes gevangen wordt in een web van kleine draadjes, meent Icke, zo worden wij gevat in een netwerk van elektronische databases. Welkom in de controlemaatschappij van Michel Foucault.

Discipline

De Franse filosoof Michel Foucault (1926-1984) is bij veel studenten bekend van zijn op Jeremy Bentham gebaseerde gevangenismodel ‘Panopticum’. Dit is een rond gebouw waarbij alle cellen bekeken kunnen worden vanuit de bewakingstoren in het midden. De gevangenen houden zich – bekeken of niet – koest, omdat de kans altijd aanwezig is dat zij gesurveilleerd en bestraft worden. In de academische bestseller Discipline, toezicht en straf uit midden jaren zeventig gebruikt Foucault dit voorbeeld om de opkomst van de disciplinemaatschappij inzichtelijk te maken.

De maatschappij is volgens Foucault een mijnenveld aan verscholen machtsmiddelen. De Verlichting bracht het dominante politieke machtsmiddel ‘discipline’ voort, waarbij de mens blootstaat aan machtsuitoefening van instituties. Het gevolg is dressuur, waarbij de staat de mens niet alleen onderwerpt aan de macht, maar hem ook dwingt het gewenste gedrag te vertonen. Mensen worden gesocialiseerd door expliciete en impliciete normen, die het ‘normale’ van het ‘abnormale’ onderscheiden.

Controlemiddelen

Michel Foucaults analyse kan teruggebracht worden tot drie controlemiddelen: hiërarchische waarneming, normaliserende beoordeling en examinering. Deze concepten vormen samen een treffende maatschappijanalyse. Foucault begint met op te merken dat controle over de mens bereikt kan worden door hem simpelweg te observeren. Dat kan in een Panopticum of via de meer hedendaagse versie van surveillancecamera’s op straat, maar ook wanneer er een ‘vertraging’ in waarneming is. Dan worden de waarnemingen met betrekking tot een individu tussen verscheidende bureaucratische lagen doorgegeven, om daar vervolgens achteraf een oordeel over te vellen. Denk aan een (papieren) dossier met de aanvraag van een asielzoeker dat tussen verschillende instanties circuleert.

Een tweede middel is het stellen van een norm met bijbehorende corrigerende functie. Volgens Foucault dient de mens in de moderne maatschappij aan specifieke voorwaarden te voldoen om als ‘normaal’ te worden beschouwd. Het disciplinerende systeem corrigeert afwijkend gedrag op basis van de heersende normen. Deze ‘normalisering’ is waar te nemen in allerlei facetten van onze samenleving, zoals in het onderwijs en in de gezondheidszorg. Heersende normen zijn bijvoorbeeld dat kinderen niet dik mogen zijn of hun school af moeten maken.

Tot slot is het afnemen van examens een controlemiddel dat de twee voorgaande begrippen combineert. Niet alleen in het studieproces wordt de leergierigheid bekeken, ook bij het examen houdt een docent de leerling nauwlettend in de gaten. Het adagium ‘kennis is macht’ is hier meer dan toepasselijk. De behaalde resultaten worden gedocumenteerd en formuleren op hun beurt weer de norm voor de volgende groep. Wat is het gemiddelde? Wat zijn de veelvoorkomende valkuilen? Hoe vaak dient men bij de les aanwezig te zijn? Doel van deze machtsuitoefening is een morele verbetering van het individu.

Controlemaatschappij

Toch gaan er stemmen op dat deze analyse inmiddels achterhaald is. In zijn laatste levensjaren, begin jaren tachtig, beweerde Foucault reeds dat we aan de vooravond staan van een systeem dat verder gaat dan de disciplinemaatschappij. Gilles Deleuze, een andere Franse postmodernist, noemt het de controlemaatschappij, waarin instituties niet langer concreet zichtbaar zijn maar abstracte vormen kunnen aannemen: corporaties in plaats van fabrieken, wisselkoersen in plaats van bankbiljetten. Omdat de controlerende instituties minder zichtbaar zijn binnen de controlemaatschappij, lijken individuen op het eerste oog meer vrijheden te hebben dan in Foucaults disciplinemaatschappij.

Maar wie denkt dat de individuele vrijheid is toegenomen komt bedrogen uit. Juist steeds meer persoonlijke gegevens worden met de nieuwste technieken geruisloos zichtbaar gemaakt voor de autoriteiten. Door de nieuwste technieken en media zijn de mogelijkheden haast eindeloos. Binnen de disciplinemaatschappij stelden zichtbare autoriteiten als een onderwijzer of rechter het gedrag bij naar de norm. Maar de controlemaatschappij gaat een stapje verder door op voorhand en via niet-zichtbare mechanismen te bepalen of iemand toegang krijgt tot bepaalde diensten en informatie. In de metro, bijvoorbeeld, bepaalt nu een chipkaart of je mag reizen, in plaats van controleurs van vlees en bloed. Toch dienen de discipline- en controlemaatschappij hetzelfde doel: het individu moet door de overheid gewenst gedrag vertonen.

Dossiers

Het idee dat we gecontroleerd worden door de nieuwste technologieën klinkt angstaanjagend. Kennen we meer voorbeelden van zulke technieken? Wanneer we ons richten op de Haagse stolp komen twee voorbeelden duidelijk naar voren. Het huidige kabinet is namelijk bezig met de invoering van twee universele elektronische databases: het elektronisch patiëntendossier (EPD), onder verantwoordelijkheid van minister Klink, en het digitaal dossier jeugdgezondheidszorg/elektronisch kinddossier, van de hand van Rouvoets programmaministerie Jeugd en Gezin. In beide databases vinden we een digitaal dossier van iedere burger. Hulp- of zorgverleners kunnen hier informatie aan toevoegen, zoals afwijkend gedrag, opvallende problemen, medicatie en genomen maatregelen. Als je bij een nieuwe dokter in behandeling bent, kan hij in het dossier zien wat er in het verleden gebeurd is, om die kennis te gebruiken in de vervolgbehandeling.

Deze databases maken gegevens van individuen behoorlijk transparant voor autoriteiten. Professionals in de gezondheidszorg hebben inzage in allerlei medische en niet-medische informatie, waarmee ze zich op voorhand een beeld van iemand kunnen vormen. Ze kunnen patiënten beoordelen los van hun eigen waarnemingen. Stel: iemand heeft ooit een depressie gehad, heeft daar een tijdje medicijnen voor geslikt en is er weer bovenop gekomen. Deze informatie komt in het EPD. Bij een nieuwe klacht, en dat kan jaren later zijn, stuit een arts op deze gegevens. Zou het de arts niet beïnvloeden in de interpretatie van de medische klachten? Zou een chronische vermoeidheid niet eerder  gezien worden als een geestelijk in plaats van een lichamelijk probleem? Zou deze patiënt niet de rest van zijn leven het stempel van ‘psychiatrisch geval’ met zich meedragen? Zo ontstaat een onpersoonlijke, niet-fysieke vorm van controle, waarbij patiënten gedresseerd worden doordat hun gegevens bijgehouden worden en ze voortdurend met stereotiepen te maken krijgen.

De databases zelf vormen geen norm maar helpen wel de norm verspreiden. Zo heeft minister Rouvoet zijn dossier jeugdgezondheidszorg (digitaal dossier jgz) opgezet om kinderen in bijvoorbeeld een onveilige thuissituatie beter te kunnen volgen zodat gezinsdrama’s kunnen worden voorkomen. In Foucaultiaanse termen gebruikt hij een controlemiddel (het elektronische dossier) om een norm (kinderen moeten een veilige thuissituatie hebben) te handhaven. Waren in de disciplinemaatschappij autoriteiten en teksten de dragers van normen, in de controlemaatschappij nemen databases deze rol over.

Bezwaar

De digitale dossiers zijn (nog) geen controlemechanismen waarbij alle autoriteiten zicht hebben op persoonlijke gegevens van individuen. Enkel een beperkt aantal professionals heeft inzage in de databases, met bijbehorende geheimhoudingsplicht. Werkgevers, politie en justitie hebben bijvoorbeeld geen toegang. Daarbij is er een verschil tussen de dossiers van Klink en Rouvoet. Iedereen kan bezwaar maken tegen (delen) van het EPD, terwijl kinderen zelf geen bezwaar kunnen maken tegen gegevens van het digitaal dossier jgz; dat moeten hun ouders doen. De jeugddossiers lijken daarmee een beter voorbeeld van de controlemaatschappij dan de patiëntendossiers.

Hoewel meer en meer persoonlijke informatie gedigitaliseerd wordt, leven we nog niet in een volledig elektronisch gecontroleerde maatschappij. Voorlopig kunnen we rustig gaan slapen. Toch valt er iets voor te zeggen dat de dressuur van de burger, zoals Foucault die zag, steeds efficiëntere vormen aanneemt. OV-chipkaart, rekeningrijden, DigID, EPD: misschien wordt er inderdaad wel een virtuele identiteit van ons gecreëerd. Zeker als meer autoriteiten inzage krijgen in onze digitale gegevens. Dan komen er steeds meer draadjes bij, totdat we straks gevangen zitten in een net van controlemechanismen.